Wetsvoorstel Innovatiewet Strafvordering: voorschotregeling niet meer van toepassing?!

Tussen vrijdag 19 juli jl. en maandag 26 augustus jl. werd de internetconsultatie opengesteld voor het wetsvoorstel ‘Innovatiewet Strafvordering’. Voormeld wetsvoorstel voorziet, vooruitlopend op het komende nieuwe Wetboek van Strafvordering, in de wettelijke regeling van een aantal voor de strafrechtpraktijk relevante onderwerpen, waaronder een regeling die betrekking heeft op de zogenoemde vordering van de benadeelde partij in het strafproces.

 

Recent is nog veel aandacht geweest in de media voor het toewijzen van schadevergoeding aan (nabestaanden van) slachtoffers van zeden- en geweldsmisdrijven en de zogenoemde voorschotregeling. Dit onder andere naar aanleiding van de uitspraak in de zaak van Jawed S. Jawed S heeft op 31 augustus 2018 twee (willekeurige) Amerikaanse toeristen neergestoken op Amsterdam CS. De rechtbank Amsterdam heeft hem op 14 oktober jl. veroordeeld tot  een gevangenisstraf van zesentwintig jaar en acht maanden. Daarenboven dient hij de slachtoffers bijna drie miljoen euro aan schadevergoeding te betalen.

 

De veel gestelde vraag is dan vervolgens: hoe krijgen de slachtoffers hun geld? Wie betaalt de schadevergoeding?[1]

 

Het uitgangspunt is dat de dader verantwoordelijk is voor de ontstane schade en deze dient te vergoeden indien de rechter de dader hiertoe veroordeelt. In de meeste gevallen legt de rechter dan een zogenoemde schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht) op. De overheid heeft dan diverse mogelijkheden en (dwang)middelen om dat geld zo veel als mogelijk bij de dader te kunnen verhalen.

 

Indien de (voor een misdrijf) veroordeelde niet of niet volledig binnen acht maanden (na de dag waarop het vonnis of arrest waarbij de schadevergoedingsmaatregel is opgelegd onherroepelijk is geworden) aan zijn verplichting heeft voldaan, keert de staat (het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB)) het resterende bedrag uit aan het slachtoffer (of diens nabestaande(n)). De staat (het CJIB) verhaalt vervolgens het uitgekeerde bedrag op de veroordeelde. Het voormelde wordt bepaald in artikel 36f lid 7 van het Wetboek van Strafrecht en wordt ook wel de ‘voorschotregeling’ genoemd. Sinds 1 januari 2011 bestaat deze zogenoemde voorschotregeling. Bij specifiek genoemde (ernstige) gewelds- en zedendelicten geldt voor de voorschotregeling geen maximum.

 

Met het wetsvoorstel Innovatiewet Strafvordering kan hier verandering in komen. In voormeld wetsvoorstel wordt namelijk een zogenoemde ‘klapluikconstructie’ voorgesteld. Voorgesteld wordt kortgezegd dat de strafrechter de mogelijkheid krijgt om de vordering van de benadeelde partij in het strafproces los te koppelen / af te splitsen van de strafzaak. Daarbij maakt het voorstel het mogelijk dat de strafrechter slachtoffers van gewelds- of zedenmisdrijven verwijst naar een afzonderlijke procedure bij de raadkamer van de rechtbank (een ‘aparte schadevergoedingskamer’), waarin enkel de vordering tot schadevergoeding wordt behandeld. Het voormelde is bedoeld voor de complexe vordering die ziet op letselschade door gewelds- of zedenmisdrijven. Nadrukkelijk wordt daarbij aangegeven dat het uitsluitend gaat om vorderingen die nu niet-ontvankelijk worden verklaard vanwege een onevenredige belasting van het strafproces.

 

Een van de voordelen is dat de benadeelde partij dan niet zelf een nieuwe procedure aanhangig hoeft te maken.

Vanuit verschillende hoeken wordt echter veel kritiek geleverd op het voorstel.

 

In het wetsvoorstel wordt namelijk bepaald dat de voorschotregeling niet van toepassing is in de afgesplitste procedure (artikel 561a). Het voormelde wordt als volgt gemotiveerd: “Er is onvoldoende zicht op het aantal zaken dat in aanmerking komt voor de afgesplitste procedure en op de omvang van de vorderingen die daarin kunnen worden behandeld. Het kan potentieel om aanzienlijke bedragen gaan, waarvoor geen dekking is. Daarom is besloten om de voorschotregeling, artikel 36, zevende lid, van het Wetboek van Strafrecht, buiten toepassing te laten voor dit onderdeel van het wetsvoorstel.”[2]

 

Voormeld voorstel kan derhalve ingrijpende en verstrekkende gevolgen hebben voor (nabestaanden van) slachtoffers van zeden- en geweldsmisdrijven. Zo ontstaat (onder andere) enerzijds een verschil in de rechtspositie van slachtoffers met complexe en/of hoge vorderingen (de voorschotregeling zal niet gelden in de afgesplitste procedure) en slachtoffers met ‘eenvoudige’ claims’ waarvan de vordering binnen de hoofdzaak kan worden gehandeld (de voorschotregeling zal wel gelden). Anderzijds ontstaat ook een verschil in de rechtspositie tussen slachtoffers met letsel- of overlijdensschade en slachtoffers met ‘enkel’ zaakschade of (zuivere) vermogensschade.

 

 

[1] Verwezen wordt ook naar mijn eerdere blog: “Dader van een ernstig misdrijf veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding, maar blut? Wat nu?” van 9 augustus 2018. https://www.rijppaert-peeters.nl/dader-van-een-ernstig-misdrijf-veroordeeld-tot-het-betalen-van-schadevergoeding-maar-blut-wat-nu/

[2] Memorie van Toelichting, pagina 39.

Reageren is niet mogelijk.