Procedure gewonnen: volledige proceskostenvergoeding?

Eerder dit jaar heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak waarin de vraag centraal stond of de in het gelijk gestelde partij recht had op vergoeding van de werkelijk door hem gemaakte proceskosten.

Door Joris Roks

roksProceskostenveroordeling

In de wet staat dat de partij die in een civiele dagvaardingszaak bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van zijn tegenpartij. Tot die kosten behoren o.a. het griffierecht en de deurwaarderskosten, die de verliezende partij in principe volledig aan de winnende partij dient te vergoeden. Dit laatste ligt anders voor wat betreft de eveneens van de proceskosten onderdeel uitmakende advocaatkosten.

Uitgangspunt: slechts advocaatkosten conform liquidatietarief

De rechter zal de advocaatkosten namelijk bijna altijd toewijzen op basis van een forfaitair tarief per verrichte proceshandeling. Dit zogenaamde ‘liquidatietarief’ dekt de werkelijke advocaatkosten echter doorgaans niet, waardoor de winnende partij zijn proceskosten meestal niet volledig vergoed zal krijgen.

Uitzonderingen

In uitzonderingsgevallen wordt door rechters wel eens afgeweken van het liquidatietarief en worden wél de werkelijke advocaatkosten toegewezen. Dit kan zich voordoen wanneer een partij misbruik van procesrecht maakt of onrechtmatig handelt door een procedure te starten. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn indien de eisende partij een procedure begint die bij voorbaat kansloos is. Dit wordt door rechters echter bijna nooit aangenomen. In beginsel heeft een ieder recht op toegang tot de rechter.

Voor bepaalde zaken, zoals procedures over Intellectueel Eigendom (IE), gelden verder afzonderlijke regelingen op grond waarvan de werkelijke advocaatkosten kunnen worden toegewezen.

In gewone (handels)zaken geldt echter als uitgangspunt dat de advocaatkosten worden vastgesteld aan de hand van het hierboven genoemde – meestal niet kostendekkende – liquidatietarief.

Uitspraak Hoge Raad

In de onderhavige aan de Hoge Raad voorgelegde zaak probeerde de winnende partij toch een veroordeling tot vergoeding van alle werkelijk door hem gemaakte kosten te verkrijgen. Daarbij stelde hij zich op het standpunt dat hij de vergoeding van die kosten niet vorderde op basis van de wettelijke regels betreffende proceskosten, maar op grond van de wettelijke regels betreffende vergoeding van vermogensschade.

De Hoge Raad stelt allereerst vast dat de verliezende partij in deze zaak onrechtmatig had gehandeld tegenover de winnende partij. In beginsel is de verliezende partij dan gehouden om de daardoor veroorzaakte schade volledig te vergoeden. De Hoge Raad overweegt echter dat de wetgever op dit uitgangspunt een uitzondering heeft gemaakt voor kosten die op grond van de wettelijke regels betreffende proceskosten voor vergoeding in aanmerking komen. Voor die (proces)kosten kan de winnende partij geen schadevergoeding vorderen op grond van de wettelijke regels betreffende vergoeding van vermogensschade, maar zijn de wettelijke regels betreffende proceskosten exclusief van toepassing.

De wettelijke regels betreffende proceskosten wijken dus af van de wettelijke regels betreffende vergoeding van vermogensschade. En ook van het uitgangspunt dat diegene die jegens een ander een toerekenbare onrechtmatige daad pleegt, verplicht is de daardoor geleden schade volledig te vergoeden.

Slotsom

De winnende partij kreeg in deze zaak de door hem gewenste vergoeding van alle werkelijk gemaakte (advocaat)kosten niet toegewezen, maar uitsluitend een vergoeding conform het liquidatietarief.

De uitspraak van de Hoge Raad is gepubliceerd op rechtspraak.nl en hier te raadplegen.

Heeft u vragen op het gebied van burgerlijk procesrecht? Ons Legal Team staat voor u klaar.

 

Reageren is niet mogelijk.