Verstand van werkgeverszaken Nº5

Met de komst van de WWZ is hoger beroep mogelijk geworden tegen een vernietiging van een ontslag op staande voet. Als een werknemer het niet eens is met zijn ontslag op staande voet, dient hij volgens de WWZ binnen twee maanden na het verleende ontslag op staande voet hiertegen op te komen bij de kantonrechter.

Stel nu dat de kantonrechter het verleende ontslag op staande voet onterecht vindt. In dat geval herleeft de arbeidsovereenkomst en dient in beginsel de werkgever met terugwerkende kracht het loon uit te betalen aan de werknemer. Dit is een relatief eenvoudig voorbeeld, maar met de mogelijkheid van hoger beroep is het ook mogelijk geworden dat het Hof een andere mening is toegedaan dan de kantonrechter en van oordeel is dat de kantonrechter het ontslag op staande voet in stand had moeten laten.

In de literatuur en jurisprudentie is er met name veel discussie ontstaan over de vraag of de werkgever het loon dient door te betalen aan de werknemer over de tussenliggende periode dat 1). de kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet onterecht is gegeven, en 2). het Hof – in tegenstelling tot de kantonrechter – op een later tijdstip oordeelt dat het ontslag op staande voet door de werkgever wel terecht was gegeven.

Uitspraak Hoge Raad 13 juli 2018

De Hoge Raad oordeelt dat een werknemer in beginsel niet het recht op loondoorbetaling kan behouden, indien door het Hof – en veelal op een veel later tijdstip – wordt geoordeeld dat het ontslag op staande voet in eerste aanleg door de kantonrechter ten onrechte is vernietigd en de werknemer in de tussenliggende periode niet heeft gewerkt. De tussenliggende periode waarin de arbeidsovereenkomst door de beslissing van de kantonrechter (ten onrechte) is blijven voortbestaan, dient daarmee niet voor rekening en risico van de werkgever te komen.

Interessant is daarnaast dat de Hoge Raad de zogeheten Van der Gulik/Vissers-leer heeft bevestigd. In deze uitspraak is jaren geleden geoordeeld dat een werkgever tijdens een door haar opgelegde schorsing of op non-actiefstelling het loon dient door te betalen aan de werknemer, dit ongeacht of de werknemer verwijtbaar heeft gehandeld. De werkgever is in dit geval dus nog altijd wel de ‘’klos’’.

Conclusie

De uitspraak van de Hoge Raad is wat ons betreft duidelijk een stap in de goede richting voor werkgevers. Indien een werkgever namelijk terecht tot een ontslag op staande voet is overgegaan en dit in hoger beroep komt vast te staan, dan dient de werkgever niet op te draaien voor het loon in de tussenliggende periode, waarin de kantonrechter het ontslag op staande voet heeft vernietigd en het moment dat het Hof uiteindelijk oordeelt dat de werkgever in het verleden (in sommige gevallen meer dan een jaar geleden) juist wel terecht tot ontslag op staande voet was overgegaan. De eerder in de jurisprudentie bevestigde verplichting tot loondoorbetaling aan de werknemer gedurende schorsing en op non-actiefstelling blijft echter wel overeind.

Voor vragen of opmerkingen over deze uitspraak, neem contact op met onze vakgroep Arbeidsrecht.

Reageren is niet mogelijk.