Verstand van verhuurderszaken Nº13

Kan een samenwoner de huur, in het geval van overlijden van de huurder, voortzetten?

Samenwonen

Naast het wettelijke medehuurderschap (denk aan de echtgenoot of een geregistreerd partner), bestaat het contractuele medehuurderschap. Je wordt dan door een expliciete overeenkomst partij bij de huur. Bij het overlijden van de huurder, zet de medehuurder op grond van de wet de huur als huurder voort. Bij samenwoners is dit echter niet het geval.

Het huurrecht kent voor de categorie ‘samenwoners’ wel een bepaalde bescherming, die kan worden ingeroepen (1) gedurende de huurovereenkomst of (2) na overlijden van huurder.

Bescherming 1: gedurende huurovereenkomst

Hoofdhuurder, samenwoner en eventuele medehuurders kunnen de verhuurder vragen om de samenwoner de positie van medehuurder te geven. Weigert de verhuurder, dan kan dit in rechte worden gevorderd. Hieraan zitten echter wel enkele voorwaarden, waarvan de belangrijkste zijn:

  1. de samenwoner dient (tenminste 2 jaren) zijn hoofdverblijf in de woning te hebben;
  2. er moet sprake zijn van een duurzame gemeenschappelijke huishouding tussen de samenwoner en de huurder.

De vordering kan slechts worden afgewezen op een aantal gronden. Deze gronden zijn onder meer: het niet hebben van een hoofdverblijf in het gehuurde, het ontbreken van een duurzame gemeenschappelijke huishouding, indien sprake is van een misbruik van de bescherming uit de wet en het bieden van onvoldoende financiële waarborgen.

Wordt de vordering toegewezen, dan wordt de samenwoner medehuurder. Overlijdt de huurder nadien, dan zet de medehuurder de huur voort.

Bescherming 2: na overlijden huurder

Een achterblijvende samenwoner is ook gerechtigd de huur ná overlijden van de huurder voort te zetten. Dit mag echter maar gedurende zes maanden en alleen als hij zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft én een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde. Is van deze voorwaarden geen sprake, dan verblijft de samenwoner al direct zonder recht of titel in de woning en moet hij de woning verlaten.

Is wel voldaan aan deze voorwaarden, dan dient de huurder – om de huur ook nadien voort te zetten – binnen de termijn van zes maanden na overlijden een vordering in te stellen bij de rechter. Ook hier zijn voorwaarden aan verbonden, zoals het hebben van een hoofdverblijf, de aanwezigheid van een duurzame gemeenschappelijke huishouding etc.

Kritisch bij ouder – kind relatie

Een terugkerend onderwerp in de rechtspraak is de relatie tussen ouder en kind als respectievelijk huurder en samenwoner. De relatie tussen ouder en kind wordt als een bijzondere relatie gezien voor wat betreft de hiervoor gestelde eisen. Heel kort gezegd wordt een kind geacht ‘uit te vliegen’ en wordt een duurzame gemeenschappelijke huishouding in die situatie minder snel aangenomen. Daarbij kan mede betekenis toekomen aan het ontbreken van wederkerigheid in de relatie tussen ouder en kind.

Slechts onder bijzondere omstandigheden, afhankelijk van zowel subjectieve als objectieve factoren, kan een samenleven van een kind en een ouder na het zelfstandig worden van het kind worden aangemerkt als een blijvende samenwoning met een gemeenschappelijke huishouding.

Tot slot

Eens napraten over dit onderwerp of op zoek naar een oplossing? Neem dan contact met ons op.

Reageren is niet mogelijk.