Trampolineparken zijn enorm populair, maar niet zonder risico’s

Jaarlijks belanden duizenden mensen op de spoedeisende hulp van het ziekenhuis met letsel dat is ontstaan als gevolg van het gebruiken van een trampoline. Onder andere vorig jaar ontstond veel ophef omtrent trampolineparken toen de 19-jarige Rico uit Veghel zijn nek brak in de zogenoemde ‘foampit’ en in een rolstoel terecht kwam. In een recente uitspraak van de rechtbank Gelderland werd opnieuw een exploiteur van een trampolinepark aansprakelijk gehouden voor de gevolgen van een ongeval in een ‘foampit’.[1]

Verzoeker in onderhavige kwestie bezocht op 24 september 2016 met zijn vriendin een trampolinepark. Wat een gezellige dag moest worden, resulteerde al snel in letsel en schade. Verzoeker is twee keer achter elkaar via de trampoline met een voorwaartse salto in de zogenoemde foampit gesprongen. Een foampit is een bak om de trampoline, gevuld met schuimblokken. Bij de tweede sprong ging het echter mis en is verzoeker – op zijn voeten, rechtop – dicht bij de rand in de bak geland, waarbij hij terecht kwam op een hard voorwerp. Verzoeker liep hierdoor een breuk op op de plek waar het scheenbeen de enkel raakt.

Verzoeker heeft het trampolinepark aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het hem overkomen ongeval. Zijdens het trampolinepark werd de aansprakelijkheid echter van de hand gewezen. Verzoeker heeft zich daarop dan ook tot de rechtbank Gelderland gewend voor een deelgeschilprocedure.

Door een kaartje te kopen en daarmee het trampolinepark te betreden is tussen de verzoeker en het trampolinepark een overeenkomst van opdracht (in de zin van artikel 7:900 BW) tot stand gekomen. Op grond van voormelde overeenkomst moet ‘het trampolinepark’ als opdrachtnemer in de uitvoering van de opdracht de zorg van een goed opdrachtnemer in acht nemen, hetgeen hier inhoudt dat van ‘het trampolinepark’ mag worden verwacht dat zij de aanwezige speeltoestellen zo aanbiedt en onderhoudt dat zij bij normaal gebruik door bezoekers voor hen geen gevaar opleveren, aldus de rechtbank.

Specifiek gaat het bij de invulling van de zorgplicht van het trampolinepark derhalve om de vraag of een speeltoestel bij normaal gebruik voor de springers veilig is. Hierbij is artikel 15 van Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen van belang op grond waarvan de beheerder ervoor moet zorgen ‘dat het speeltoestel zodanig is geïnstalleerd, gemonteerd en zodanig is beproefd, geïnspecteerd en onderhouden en zodanig van opschriften is voorzien, dat er bij gebruik geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid van personen bestaat’.

Uiteindelijk komt de rechtbank in onderhavige zaak tot de conclusie dat de foampit niet zodanig is geïnstalleerd en/of gemonteerd dat bij normaal/ te verwachten gebruik geen gevaar voor gezondheid of veiligheid van personen bestaat en dat (de exploiteur/beheerder van) het trampolinepark dan ook tekort is geschoten in de nakoming van haar (contractuele) zorgplicht als opdrachtnemer en aansprakelijk is voor de gevolgen van het daardoor aan verzoeker overkomen ongeval, meer specifiek de schade die verzoeker heeft geleden, thans lijdt en in de toekomst nog zal lijden ten gevolge van het ongeval dat hem op 24 september 2016 is overkomen.

Zijdens het trampolinepark is nog een beroep gedaan op eigen schuld van de verzoeker. Specifiek zou het ongeval geheel te wijten zijn aan de eigen onzorgvuldigheid en onoplettendheid van verzoeker. De rechtbank gaat hier kort gezegd niet in mee, daar zijdens het trampolinepark onvoldoende feiten en omstandigheden zijn gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat de schade mede het gevolg is van omstandigheden die aan verzoeker zijn toe te rekenen.

De gehele uitspraak is hier te lezen.


[1] Rechtbank Gelderland 23 januari 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:224.

Reageren is niet mogelijk.