Recht op schadevergoeding na identificatie familielid in mortuarium?

Het waarnemen van een ongeval of de directe confrontatie met de gevolgen daarvan door een naaste, kan een enorm traumatische gebeurtenis zijn. Indien dit leidt tot een emotionele schok waaruit geestelijk letsel voortvloeit, kan de schade die hiermee gepaard gaat mogelijk op de dader worden verhaald. Deze schadevergoeding wordt ook wel shockschade genoemd.

Onlangs heeft het Gerechtshof Den Haag een noemenswaardige uitspraak gewezen over shockschade. Wat was er gebeurd?

In bovengenoemde zaak was een vrouw aangereden door een vuilniswagen. Zij was onder de vuilniswagen terecht gekomen en liep daardoor zeer ernstige verwondingen op. De vrouw kon niet meer geholpen worden en overleed ter plaatse.

Nadat de ouders en broer op de hoogte waren gebracht van het ongeval, zijn zij direct vanuit het buitenland naar Nederland gereisd en hebben hun dochter/zus vervolgens in het mortuarium geïdentificeerd. Daarbij werden zij geconfronteerd met het zeer ernstige letsel van hun naaste.

De ouders en broer zijn vervolgens een procedure gestart, waarin zij hebben aangegeven dat zij dagelijks nog de gevolgen ervaren van de traumatische beelden van de identificatie die zij bij de dochter in het mortuarium hebben moeten verrichten en  behoefte hebben aan genoegdoening voor het hen aangedane leed. De familieleden vorderden zodoende een vergoeding voor de door hen geleden shockschade.

De verzekeraar van de vuilniswagen meende evenwel dat de ouders hier geen recht op hebben. De verzekeraar stelde namelijk dat niet aan alle voorwaarden is voldaan om een schadevergoeding voor shockschade toe te kunnen wijzen.

Om shockschade toe te kennen moet volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad voldaan zijn aan de volgende voorwaarden:

  • Er moet sprake zijn van een directe confrontatie van het ongeval of met de ernstige volgen van het ongeval (het confrontatievereiste);
  • De confrontatie brengt een hevige emotionele shock mee bij de naaste;
  • De heftige shock heeft geestelijk letsel tot gevolg (een psychiatrisch erkend ziektebeeld).

De verzekeraar stelde zich op het standpunt dat niet is voldaan aan de eerste voorwaarde, namelijk het confrontatievereiste. De rechtbank deelde deze mening. Zo overwoog de rechtbank onder meer dat de familieleden het ongeval niet zelf hebben waargenomen. Daarnaast overwoog de rechtbank dat hoewel de familieleden het stoffelijk overschot in het mortuarium hadden geïdentificeerd, dit niet hetzelfde is als directe confrontatie met het ongeval op straat. De rechtbank wees de vordering van de ouders dus af.

De familieleden waren het met het oordeel van de rechtbank niet eens en zijn in hoger beroep gegaan. Zij meenden dat wel degelijk is voldaan aan het confrontatievereiste. Wat oordeelde het Hof?

Volgens het Hof is voor het confrontatievereiste niet vereist dat degene die zich hierop beroept ook daadwerkelijk betrokken is geweest bij de gebeurtenis. Ook de confrontatie (kort) na een gebeurtenis kan voldoende zijn.

In dezen achtte het Hof het van belang dat ten tijde van de identificatie door de familieleden de zeer ernstige wonden nog steeds aanwezig waren. Het slachtoffer was onherkenbaar. Daarnaast hadden de familieleden camerabeelden van het ongeval gezien. Deze punten leiden ertoe dat de familieleden zich bij de identificatie een duidelijk en concreet beeld hebben kunnen vormen van de omstandigheden waaronder hun dochter/zus is overleden en de gevolgen daarvan. De slotsom luidt dan ook dat voldaan is aan het confrontatievereiste, zodat de familieleden recht hebben op vergoeding van shockschade, mits geestelijk letsel in de zin van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt vastgesteld.

Het Hof legt het confrontatievereiste dus niet te beperkt uit, maar rekt deze juist op, hetgeen we steeds vaker zien in de jurisprudentie. Een goede ontwikkeling dus voor de naasten!

 

Reageren is niet mogelijk.