Recht op “gedeeltelijke” transitievergoeding?: The story continues

De Hoge Raad heeft op 17 april jl. een belangrijke uitspraak gewezen voor de arbeidsrechtpraktijk. De vraag luidde of een werknemer recht heeft op een gedeeltelijke transitievergoeding als na een periode van langdurige arbeidsongeschiktheid deze werknemer wordt herplaatst in een lager betaalde functie.

Voorgeschiedenis: “gedeeltelijke” transitievergoeding

De Hoge Raad heeft op 14 september 2019 in de zogeheten ‘Kolom-beschikking’ voor het eerst geoordeeld dat een werknemer aanspraak kan maken op een gedeeltelijke transitievergoeding. Dit is het geval indien er sprake is van een structurele en substantiële (dat wil zeggen, meer dan 20%) arbeidsduurvermindering. Als een langdurig zieke werknemer die aanvankelijk voor 40 uur in de week werkzaam was, na twee jaar ziekte vervolgens het eigen werk nog structureel kan verrichten voor (slechts) 20 uur in de week, dan heeft deze werknemer recht op een gedeeltelijke transitievergoeding op basis van de ‘verloren’ 20 arbeidsuren. In dit eenvoudige rekenvoorbeeld dient de transitievergoeding dus te worden vermenigvuldigd met 0,5.

Recht op gedeeltelijke transitievergoeding (ook) bij herplaatsing in lager betaalde functie?

De Hoge Raad dient in de uitspraak van 17 april jl. te oordelen of de ‘Kolom-beschikking’ ook dient te worden toegepast in de situatie dat een langdurig zieke werknemer in salaris er (fors) op achteruit gaat als gevolg van een herplaatsing in een andere lagere functie. In deze uitspraak betrof het een arbeidsongeschikte docente die werd herplaatst in de functie van onderwijsassistente. Deze herplaatsing in een andere functie ging gepaard met een halvering van het salaris, meer concreet van circa € 3.000,00 naar € 1.500,00 bruto per maand.

Conclusie

De Hoge Raad is van oordeel dat het recht op een gedeeltelijke transitievergoeding niet verschuldigd is door een werkgever als er tot herplaatsing wordt overgegaan in een lager betaalde functie, waarbij de arbeidsduur ongewijzigd blijft dan wel met minder dan 20% wordt verminderd. In deze casus geldt dus dat de docente (dan wel onderwijsassistente) geen recht heeft op een gedeeltelijke transitievergoeding vanwege de halvering van haar salaris.

De Hoge Raad maakt dus duidelijk dat een gedeeltelijke transitievergoeding vooralsnog alleen moet worden betaald als er sprake is van een structurele en substantiële vermindering van arbeidsduur van ten minste 20%. Een eventuele inkomensachteruitgang speelt bij het recht op een gedeeltelijke transitievergoeding volgens de Hoge Raad dus geen rol.

Reageren is niet mogelijk.