Hoge Raad doet uitspraak in de zaak over euthanasie bij vergevorderde dementie

Een arts mag gevolg geven aan een schriftelijk verzoek tot het verlenen van euthanasie bij mensen met vergevorderde dementie. Indien aan alle eisen die de wet in dat kader stelt is voldaan, waaronder de eis dat sprake is van uitzichtloos en ondraaglijk lijden, is de desbetreffende arts niet strafbaar. Dat heeft de Hoge Raad gisteren geoordeeld ‘in het belang der wet’.[1]

De patiënte waar het in onderhavige zaak om gaat, had in een schriftelijke verklaring kortgezegd aangegeven dat zij wilde dat euthanasie op haar zou worden toegepast als zij haar naasten niet meer zou herkennen, als zij afhankelijk zou worden van zorg en in een verpleeghuis zou moeten worden opgenomen. De wet biedt deze mogelijkheid.

De verpleeghuisarts, die uiteindelijk de euthanasie verleende aan de 74-jarige patiënte met (vergevorderde) dementie, werd zowel strafrechtelijk als tuchtrechtelijk vervolgd.

De officier van justitie stelde zich op het standpunt dat geen sprake was van gerechtvaardigde euthanasie maar van moord (dan wel doodslag). De rechtbank Den Haag oordeelde op 11 september 2019 echter kort gezegd dat de arts zorgvuldig had gehandeld en dus niet strafbaar was. De arts werd van alle rechtsvervolging ontslagen.[2]

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (CTG) heeft in dezelfde zaak bij beslissing van 19 maart 2019 geoordeeld dat de arts niet heeft voldaan aan alle zorgvuldigheidseisen en heeft de arts een waarschuwing opgelegd.

Door de procureur-generaal bij de Hoge Raad is een vordering tot cassatie in het belang der wet ingesteld (met het oog op rechtsontwikkeling over euthanasie).

De Hoge Raad heeft  gisteren een oordeel gegeven over zowel de strafzaak als de tuchtzaak.

De kern van de wettelijke regeling van euthanasie houdt kort gezegd in dat een arts die het leven van een patiënt op diens uitdrukkelijk en ernstig verlangen beëindigt, niet strafbaar is als de arts daarbij voldoet aan de geldende zorgvuldigheidseisen.[3] Deze eisen waarborgen dat door de arts zorgvuldig wordt gehandeld.

Waar het gaat om de strafzaak heeft de Hoge Raad een aantal uitgangspunten uiteengezet over de mogelijkheid voor een arts om gevolg te geven aan een schriftelijk euthanasieverzoek van een patiënt die lijdt aan (voortgeschreden) dementie. Hiermee wordt invulling gegeven aan de  zorgvuldigheidseisen in dergelijke bijzondere situaties.

Aan de hand van de door de Hoge Raad gegeven uitgangspunten is de zaak van de rechtbank Den Haag beoordeeld. Volgens de Hoge Raad heeft de rechtbank in haar beoordeling (inhoudende dat de arts in het onderhavige geval zorgvuldig heeft gehandeld, zodat zij niet strafbaar was) geen fouten gemaakt.

Waar het gaat om de tuchtzaak vernietigt de Hoge Raad in het belang van de wet de beslissing van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. In voormelde uitspraak van de Hoge Raad wordt onder andere ingegaan op het oordelen over het medisch handelen van een arts, de gebondenheid aan het oordeel van de Regionale Toetsingscommissie Euthanasie en de ruimte voor interpretatie van het schriftelijke verzoek van de patiënt.

Al met al betreft het een belangrijke uitspraak voor de euthanasiewetgeving en -praktijk, waarin de Hoge Raad onder andere bevestigt dat een arts een euthanasieverzoek bij patiënten met vergevorderde dementie mag inwilligen en invulling geeft aan de zorgvuldigheidseisen die in dat kader gelden en uitgangspunten uiteenzet die in dergelijke bijzondere situaties gelden.


[1] Hoge Raad 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:712 en ECLI:NL:HR:2020:713.

[2] Rechtbank Den Haag 11 september 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:9506.

[3] Hierbij zijn onder andere artikel 293 Wetboek van Strafrecht, artikel 2 Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding en artikel 7 van de Wet op de lijkbezorging van belang.

Reageren is niet mogelijk.