Verstand van verhuurderszaken N°17 – Deel I

Contractsvrijheid verhuurders ingeperkt

De Hoge Raad[1] heeft de contractsvrijheid van partijen bij de vaststelling van de huurprijs voor vrije sector-woningen (dus woningen met een aanvangshuurprijs boven de liberalisatiegrens)[2] beperkt. Er kan geen vast bedrag aan “servicekosten” (meer) in rekening worden gebracht, althans, niet voor zover daar  geen reële prestatie en onderbouwing voor is.

Contractsvrijheid

Tussen een huurder en verhuurder bestaat contractsvrijheid. Dat betekent dat partijen in beginsel mogen afspraken wat zij willen. Een verhuurder mag dus ook een voordeel voor zichzelf afspreken, zonder dat daar een prestatie tegenover staat. Denk bijvoorbeeld aan het vragen van een vaste vergoeding voor servicekosten.

Zelf hoogte bepalen servicekosten?

Eerder heb ik geschreven (nr 14, deel I en deel II) dat er een verschil van inzicht bestond over de vraag of je als verhuurder zelf de hoogte van een vast bedrag aan servicekosten mag vaststellen. Volgens de ene opvatting volgt uit de wet dat indien partijen in een geliberaliseerde huurovereenkomst een bedrag voor servicekosten zijn overeengekomen, dat bedrag redelijk moet zijn. Je bent dan dus niet volledig vrij in het maken van afspraken. Volgens de andere opvatting bestaat contractsvrijheid over de (hoogte van de) servicekosten.

De Hoge Raad heeft nu beslist dat de betalingsverplichting – kort gezegd – in relatie moet staan tot de werkelijke kosten.

Gevolgen?

Met de uitspraak van de Hoge Raad is het, tot op zekere hoogte, niet meer mogelijk om vaste bedragen van huurders te vragen voor leveringen en/of diensten die feitelijk niet worden geleverd of geen verband houden met de werkelijke kosten.

In de praktijk zullen huurders, als gevolg van deze uitspraak, om een specificatie van de servicekosten kunnen vragen. Als die niet wordt verstrekt, kan de hoogte van de servicekosten worden getoetst door de rechter met alle gevolgen van dien.

Hoe kan het dan wel?

In de praktijk zijn de volledige grenzen van wat wel en niet kan nog niet geheel duidelijk. Er zijn zelfs opnieuw prejudiciële vragen[3] gesteld aan de Hoge Raad. In deel II van deze editie neem ik jullie hierin mee.


[1] uitspraken.rechtspraak.nl

[2] Voor 2021: meer dan €752,33

[3] Dit is een rechtsvraag aan de Hoge Raad over uitleg van een bepaalde regel. 

Reageren is niet mogelijk.