Schaatsen kan worden gezien als iets typisch Nederlands, een echte volkscultuur. Zodra het maar een paar dagen achter elkaar vriest, worden de ijzers meteen uit het vet gehaald. Deze week was het erg koud en daalden de temperaturen tot onder het vriespunt. Men ging dan ook meteen massaal op zoek naar (hun) schaatsen. Op diverse plekken werd water opgespoten, zodat de eerste schaatsbanen konden worden geopend. Liefhebbers konden in diverse provincies hun schaatsen onderbinden. Er werd zelfs al voorzichtig gesproken en gehoopt op een marathon op natuurijs.
Schaatsen is echter niet geheel zonder risico’s. Een ongeluk zit zogezegd in een klein hoekje en de kans op letsel daarbij is groot. Dit met alle gevolgen van dien.
In het kader van de aansprakelijkheid kunnen vervolgens diverse discussies ontstaan. De uitkomst van de discussies omtrent de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval hangt echter sterk af van de feiten en omstandigheden van het geval.
In beginsel geldt de hoofdregel dat een ieder zijn/haar eigen schade draagt. Voor uitzonderingen op deze hoofdregel dienen bijzondere feiten en/of omstandigheden aanwezig te zijn die de uitzondering op deze hoofdregel rechtvaardigen. U kunt dan ook uw schade enkel op iemand anders verhalen als daar een grondslag voor is.
Waar het gaat om schaatsen, wordt vaak juridisch gesproken over een sport- en spelsituatie. In het kader hiervan geldt dat in dergelijke situaties sprake is van een verhoogde aansprakelijkheidsdrempel. Hierdoor zal een veroorzaker van letsel ten tijde van een sport- en spelsituatie minder snel aansprakelijk zijn. Uiteraard geldt deze verhoogde drempel van aansprakelijkheid tot een bepaalde hoogte, waarbij zogezegd steeds de feiten en omstandigheden van het geval relevant zijn.
Te wijzen is op een uitspraak van de Hoge Raad uit 2003. Een schaatser kwam ten val, schoof over het ijs naar de buitenkant van de ijsbaan en raakte daarbij een andere schaatser. Als gevolg van de val heeft de schaatser bij de andere schaatser ernstig letsel veroorzaakt.
De verhoogde drempel om aansprakelijkheid aan te kunnen nemen, brengt in deze situatie met zich mee dat de deelnemers aan een sport of spel (hier: schaatsen) in redelijkheid tot op zekere hoogte gevaarlijke, slecht gecoördineerde, verkeerd getimede of onvoldoende doordachte handelingen of gedragingen waartoe de activiteit uitlokt of die daarin besloten liggen, van elkaar moeten verwachten.[1] Daarbij wordt nog opgemerkt dat de verwachtingen die zij van elkaar mogen of moeten hebben mede afhankelijk zijn van de risico’s die aan de schaatssport eigen zijn. Geoordeeld werd dan ook dat hier niet onrechtmatig is gehandeld.
Of we dit weekend op natuurijs kunnen schaatsen is nog maar de vraag. Waar het gaat om het schaatsen op natuurijs kan wel worden gewezen op een uitspraak van het hof Amsterdam uit 1991. In deze zaak botste de desbetreffende schaatser tegen een gasbuis die op 1,5 m hoogte boven het ijs onder een brug over een slotgracht was aangebracht. Als gevolg van deze botsing liep de schaatser ernstig letsel op. Door het hof werd hier opgemerkt dat het een algemene ervaringsregel is dat bij het schaatsen onder bruggen altijd (extra) oplettendheid geboden is.[2] In het kader van de aansprakelijkheidsvraag werd daarbij waarde gehecht aan het gegeven dat de schaatser geheel op eigen risico het ijs had betreden.[3] Noch de gemeente, als gedeeltelijk eigenares van het water, noch de eigenares van het kasteel werden dan ook voor de (ernstige) letselschade van de schaatser aansprakelijk geacht.
Mocht u dit weekend de schaatsen onderbinden dan wensen wij u veel plezier, maar pas dan wel goed op.
[1] HR 28 juni 1991, 14235, NJ 1992, 622; HR 28 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2680.
[2] Hof Amsterdam 30 mei 1991, ECLI:NL:GHAMS:1991:AJ5895.
[3] Hof Amsterdam 30 mei 1991, ECLI:NL:GHAMS:1991:AJ5895.
