De overheid voorziet in twee procedures om slachtoffers hun schade te kunnen laten verhalen op daders: de procedure bij de civiele rechter en de voeging als benadeelde partij in het strafproces.
Op grond van artikel 51f lid 1 Sv kunnen degenen die rechtstreeks schade hebben geleden door een strafbaar feit, zich terzake van hun vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces. Op grond van lid 2 van artikel 51f Sv is dit ook mogelijk voor onder andere de erfgenamen.
Om te bevorderen dat die schade door de verdachte wordt vergoed, wanneer deze verdachte tot vergoeding van de schade is veroordeeld, kan de rechter op grond van artikel 36f Sr een schadevergoedingsmaatregel opleggen. Het CJIB draagt vervolgens zorg voor de incasso en kan bij misdrijven een voorschot uitkeren als de dader acht maanden na het vonnis nog niet (volledig) heeft betaald.
Waar het gaat om ‘het voegen als benadeelde partij in het strafproces’, is de praktijk de afgelopen jaren verbeterd. Uit onderzoek blijkt dat het aantal geheel of gedeeltelijk toegewezen schadevorderingen van slachtoffers bij strafzaken de afgelopen jaren is gestegen van 68% naar 84%.[1] Toch komt het nog met enige regelmaat voor dat de strafrechter vorderingen niet-ontvankelijk verklaart. Slachtoffers met ‘ingewikkelde en veelomvattende’ schadeclaims blijven vaak met hun schade zitten, omdat de strafrechter van oordeel is dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en bepaalt vervolgens dat de vordering (in het geheel of ten dele) niet ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dan haar vordering, of het deel van de vordering dat niet ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Dit leidt dan vervolgens bij slachtoffers (en advocaten) vaak tot veel teleurstelling en onbegrip.
De afgelopen jaren hebben slachtoffers een steeds steverige positie gekregen in het strafproces en is voor de positie van het slachtoffer veel aandacht (geweest). Naar verwachting zal dat de komende tijd verder worden uitgebreid. Uit de praktijk blijkt echter dat er nog veel kan worden verbeterd, waar het gaat om de positie van het slachtoffer.
Op 22 februari 2018 presenteerde de Minister voor Rechtsbescherming, Sander Dekker, de Meerjarenagenda slachtofferbeleid 2018 – 2021.[2]
Hieruit blijkt onder andere dat eind 2018 een wetsvoorstel aan de Tweede Kamer zal worden aangeboden, op basis waarvan bepaalde verdachten verplicht worden om aanwezig te zijn op de zitting en bij de uitspraak (verschijningsplicht). Daarnaast wordt gesproken over de uitbreiding van het spreekrecht van slachtoffers, waarbij onder andere de kring van gerechtigden zal worden uitgebreid, de uitoefening van het spreekrecht zal worden geüniformeerd en slachtoffers de mogelijkheid zullen krijgen om te spreken op het moment dat de dwangverpleging bij TBS voorwaardelijk wordt beëindigd.
In de Meerjarenagenda slachtofferbeleid wordt ook aangegeven dat het voor slachtoffers mogelijk wordt om zelfstandig in beroep te gaan als de strafrechter een vordering tot schadevergoeding afwijst (ook beroep in cassatie) en krijgen slachtoffers de mogelijkheid om een vordering tot schadevergoeding te verhogen in hoger beroep.[3]
De schade loopt namelijk, nadat de strafrechter in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan, nog vaak (verder) op. Deze schade kunnen slachtoffers, gelet op artikel 421 lid 3 Sv, op dit moment niet alsnog in hoger beroep toevoegen aan hun vordering.
Binnen de rechtspraak wordt met dit laatste overigens niet eenduidig omgegaan. In dit kader is te wijzen op een recente uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam[4], waarin het hof oordeelde dat de schadevergoedingsmaatregel (ook) zou kunnen worden opgelegd voor de eerst in hoger beroep door de benadeelde partijen opgevoerde schadeposten, voor zover de verdachte voor die schade naar burgerlijk recht aansprakelijk is.[5]
Gelet op de Meerjarenagenda slachtofferbeleid zal de positie van het slachtoffer de komende jaren verder worden verbeterd en verduidelijkt. Naar mijn mening is dit een zeer goede ontwikkeling.
Dit artikel is geschreven door mr. Romana van der Leij, advocaat bij Buro Letselschade.
[1] Kamerstukken II 2016/17, 33552, nr. 25 en brief d.d. 22 februari 2018 van de Minister voor Rechtsbescherming, Sander Dekker (Meerjarenagenda slachtofferbeleid 2018-2021).
[2] https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-justitie-en-veiligheid/documenten/kamerstukken/2018/02/22/tk-meerjarenagenda-slachtofferbeleid-2018—2021
[3] brief d.d. 22 februari 2018 van de Minister voor Rechtsbescherming, Sander Dekker (Meerjarenagenda slachtofferbeleid 2018-2021), p. 4.
[4] Gerechtshof Amsterdam 7 maart 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:748.
[5] Het hof verwijst hierbij naar: Gerechtshof Amsterdam 22 december 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:5430 en Gerechtshof Amsterdam 21 februari 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:487.
