Affectieschadevergoeding voor broers en zussen: hoe oordeelt de Hoge Raad anno 2026?

27 januari, 2026
Evy Koertshuis

Op 13 januari 2026 heeft de Hoge Raad zich uitgesproken over affectieschadevergoedingen voor broers en zussen.[1] De Hoge Raad bevestigde zijn eerdere lijn uit het arrest van 2025 en oordeelde dat in deze zaak sprake was van een uitzonderlijke broer-zusrelatie, waardoor de zus recht had op een affectieschadevergoeding. Dit is opmerkelijk, omdat broers en zussen op dit moment (nog) niet tot de vaste kring van gerechtigden behoren.

Affectieschadever-goedingen

De Wet Affectieschade geeft sinds 1 januari 2019 naasten en nabestaanden het recht om hun verdriet (affectieschade) na een ernstig ongeval of overlijden van een dierbare te verhalen op de dader, mits deze (strafrechtelijk) aansprakelijk is. Dit recht geldt alleen bij overlijden of zeer ernstig en blijvend letsel van het slachtoffer. Het recht op affectieschade is bedoeld als erkenning van het ondergane leed en om genoegdoening te bieden.

De wet beperkt de kring van gerechtigden tot partners, (pleeg)kinderen, (pleeg)ouders en personen voor wie het slachtoffer duurzaam zorgde.

In bijzondere gevallen kunnen ook anderen, zoals andere familieleden, op grond van de zogenoemde ‘hardheidsclausule’ aanspraak maken op een vergoeding, mits zij een uitzonderlijk hechte band met het slachtoffer hadden en dit kunnen aantonen.

Broers en zussen vallen in principe buiten de kring der gerechtigden. Slechts in uitzonderlijke gevallen kan aan hen wel een affectieschadevergoeding toekomen. Vanaf 24 november 2025 is er een wetsvoorstel in consultatie waardoor broers en zussen mogelijk in de toekomst standaard tot de kring der gerechtigden gaan behoren (zie ook de blog van Britt).

Arrest van het hof[2]

In onderhavige zaak werd het slachtoffer door de veroordeelde door het hoofd geschoten, waarna het lichaam werd weggevoerd en verborgen. De zus van het slachtoffer voegde zich als benadeelde partij in het strafproces en vorderde onder meer een affectieschadevergoeding op grond van de hardheidsclausule.

De zus van het slachtoffer onderbouwde dat zij en haar broer een bijzondere en hechte affectieve relatie hadden, die verder ging dan de gewone broer-zusrelatie. Ze scheelden nog geen jaar in leeftijd, woonden samen bij hun oma, en de zus nam de ouderlijke taken op zich. Tot aan het overlijden woonden zij onafscheidelijk samen en zij regelde vrijwel alles rondom het overlijden van haar broer en de strafzaak.

Het hof overwoog dat de relatie tussen de zus en haar overleden broer zo uitzonderlijk was en dat daarom de zus recht had op een affectieschadevergoeding op grond van de hardheidsclausule.

Conclusie van de advocaat-generaal (A-G)

A-G Spronken overwoog dat broers en zussen in beginsel niet tot de vaste kring van gerechtigden behoren, maar dat zij in uitzonderlijke gevallen via de hardheidsclausule toch als 'naaste' kunnen worden aangemerkt. Het oordeel van het hof dat in deze zaak sprake was van een uitzonderlijk nauwe persoonlijke relatie, gebaseerd op de intensiteit, aard, duur en bestendigheid van de relatie, achtte de A-G niet onbegrijpelijk. Ook het feit dat de verdediging het bijzondere karakter van de relatie slechts summier had betwist, mocht het hof meewegen.

De A-G concludeerde dat het hof het juiste juridische kader had toegepast.

Arrest van 13 januari 2026

De Hoge Raad kijkt bij affectieschade niet naar de formele familieband, maar naar de feitelijke relatie tussen de nabestaande – in dezen de zus – en het slachtoffer. Dat blijkt uit de pleitnota van de advocaat van de zus en de verklaring van de oma: broer en zus waren onafscheidelijk, deelden lief en leed, en wilden zelfs samen de huurwoning van hun oma overnemen. Zulke details geven kleur aan de uitzonderlijk hechte band die in deze zaak centraal stond.

Toch is het niet eenvoudig om succesvol een beroep op de hardheidsclausule te doen. De wetgever heeft bewust gekozen voor een gesloten stelsel met een vaste kring van gerechtigden en vaste bedragen, zodat de regeling overzichtelijk en beheersbaar blijft. Alleen in uitzonderlijke gevallen, waarin de relatie echt uitstijgt boven het gewone, kan affectieschade worden toegekend aan bijvoorbeeld een broer of zus.

Opvallend is dat Slachtofferhulp Nederland in deze discussie kritisch is: zij wijzen erop dat het voor broers en zussen psychisch belastend is om hun band te moeten bewijzen en dat dit tot rechtsongelijkheid en revictimisatie kan leiden.

De Hoge Raad overwoog in dezen dat sprake is van een zodanige affectieve en hechte relatie tussen de broer en zus, dat aan de zus een affectieschadevergoeding toekomt.

Vragen?

Hebt u vragen naar aanleiding van het voormelde of heeft u andere aansprakelijkheid-vragen? Neem dan contact met ons op. Wij denken graag mee.


[1] HR 13 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:33.

[2] Hof Amsterdam 21 maart 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:736.


Aansprakelijk en letsel
Evy Koertshuis