De aanbiedingsplicht in de statuten van een BV

Juridisch medewerker Florence Schel - Rijppaert & Peeters Advocaten OosterhoutBij de oprichting van een besloten vennootschap kan er een blokkeringsregeling worden opgenomen in de statuten. Hoewel het opnemen van een blokkeringsregeling sinds de invoering van het nieuwe BV-recht niet meer verplicht is, wordt in de meeste gevallen nog een blokkeringsregeling opgenomen in de statuten. Door de blokkeringsregeling kunnen aandeelhouders hun aandelen niet zomaar vervreemden. Dit zorgt ervoor dat een zittende aandeelhouder (enige) zeggenschap heeft in het bepalen van wie wel/niet medeaandeelhouder wordt.

Blokkeringsregelingen

Bij blokkeringsregelingen kan er een onderscheid worden gemaakt in (i) goedkeuringsregelingen en (ii) aanbiedingsregelingen. Bij de goedkeuringsregeling dient de overdracht van aandelen te worden goedgekeurd door een orgaan van de BV (bijvoorbeeld de aandeelhoudersvergadering). De aanbiedingsregeling is geregeld in artikel 2:195 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) en bepaalt dat de aandeelhouder die (een deel van) zijn aandelen wil vervreemden, deze eerst aanbiedt aan zijn medeaandeelhouders naar evenredigheid van het aantal aandelen dat ten tijde van de aanbieding door ieder van hen werd gehouden. Dergelijke blokkeringsregelingen worden veelvuldig opgenomen in de statuten. De statuten kunnen alsdan ook de situaties beschrijven wanneer een aanbiedingsplicht ontstaat, bijvoorbeeld bij het overlijden of faillissement van een aandeelhouder.

De aanbiedingsplicht in de statuten van een besloten vennootschap kan zich er zelfs toe strekken dat er een bijzondere aanbiedingsplicht ontstaat indien en zodra de zeggenschap over de activiteiten van een aandeelhouder-rechtspersoon wijzigt. Een wijziging in de zeggenschap kan zich bijvoorbeeld voordoen wanneer de aandeelhouder van de aandeelhouder-rechtspersoon komt te overlijden.

Uitspraak rechtbank Rotterdam

In een recente uitspraak van de rechtbank Rotterdam is een dergelijke situatie aan de orde gekomen. X was tot zijn overlijden houder van 49% van de aandelen van een Franse vennootschap genaamd Y. De overige aandelen in Y werden voor 49% gehouden door Z en voor 2% door W. Y is op haar beurt houder van 72,56% van de aandelen in een BV. A is houder van de overige 27,44% van de aandelen in de BV. In de statuten van de BV stond de volgende bijzondere aanbiedingsplicht:

“(..) Voorts moeten de aandelen worden aangeboden die worden gehouden door een aandeelhouder-rechtspersoon, indien – anders dan door boedelmenging ten gevolge van huwelijk – door eigendomsoverdracht of andere eigendomsovergang van aandelen in de aandeelhouder-rechtspersoon, door uitgifte van aandelen in die aandeelhouder-rechtspersoon, of ten gevolge van fusie dan wel splitsing van die aandeelhouder-rechtspersoon, in de zin van Titel 7, Boek 2, Burgerlijk Wetboek, dan wel door enigerlei andere oorzaak de zeggenschap over de activiteiten van de onderneming van zodanige aandeelhouder-rechtspersoon door één of meer anderen dan degene(n) bij wie de zeggenschap voordien berustte, wordt verkregen. (..)”

Gelet op deze bijzondere aanbiedingsplicht stelt A zich op het standpunt dat Y de aandelen in de BV aan A moet aanbieden, omdat de zeggenschap over Y – als rechtspersoon-aandeelhouder van de BV – door het overlijden van X is gewijzigd.

Volgens de voorzieningenrechter is er echter geen sprake van een zodanige wijziging van de zeggenschap in Y als rechtspersoon-aandeelhouder van de BV. De voorzieningenrechter overweegt daartoe het volgende:

“(..) Een aandeel van 49% van de aandelen in Y betreft immers wel een aanzienlijk deel van de aandelen, en daarmee is vermoedelijk een groot deel van de zeggenschapsrechten gemoeid, maar er is geen sprake van beslissende invloed. Daarvoor is in beginsel een bezit van 50% van de aandelen vereist. (..)”

Het feit dat X een zeer invloedrijk persoon was met veel verantwoordelijkheden binnen Y was voor de voorzieningenrechter ook geen aanleiding om ervan uit te gaan dat X een beslissende stem had. Het enkele gegeven dat X één van de drie aandeelhouders was, is daarvoor onvoldoende. De voorzieningenrechter merkt daar het volgende nog bij op:

(..) Het ligt op zich, zoals door A aangevoerd, wel in de rede dat de aandeelhouders in een vennootschap onderling willen afspreken dat er een aanbiedingsplicht voor de aandelen geldt, indien de aandelen van de ene aandeelhouder over dreigen te gaan in handen van derden. Het ligt echter veel minder in de rede dat een zodanige aanbiedingsplicht ook zou gelden in het geval, zoals hier, niet de aandelenverhouding in de vennootschap zelf wijzigt maar slechts de aandelenverhouding in de holding van een aandeelhouder in de vennootschap. Dat in een situatie als hier aan de orde – waarin één van de aandeelhouders in de holding overlijdt, maar de overige aandeelhouders gelijk blijven – een minderheidsaandeelhouder de meerderheidsaandeelhouder zou kunnen dwingen haar aandelen af te staan, is een consequentie waarvan niet aannemelijk is dat die werd beoogd in de statuten op te nemen. (..)”

Conclusie

Het verdient dus aanbeveling om – onder meer in het geval van een bijzondere aanbiedingsplicht als in het onderhavige geval – een duidelijke omschrijving van het begrip “zeggenschap” op te nemen in de blokkeringsregeling in de statuten. Dit om geschillen ter zake een aanbiedingsplicht te voorkomen.

Indien u nog vragen heeft naar aanleiding van het bovenstaande artikel of advies wenst omtrent bijvoorbeeld een aandelenoverdracht of de formulering van een blokkeringsregeling, kunt u uiteraard contact opnemen met ons Legal Team.

Reageren is niet mogelijk.